< Terug naar overzicht

7 vragen aan een Radiodiagnostisch laborant

Je hebt misschien wel eens een röntgenfoto moeten laten maken. Wilhelm Röntgen ontdekte deze straling al in 1895, en nog altijd wordt deze veelvuldig toegepast in de geneeskunde. Zoals door Lieke Beugels (27), Radiodiagnostisch laborant in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen. Zij is degene die op de fotoknop drukt. Say cheese!

1. Wat houdt jouw beroep in?

“Het werk van een Radiodiagnostisch laborant bestaat voornamelijk uit het maken röntgenfoto’s, bijvoorbeeld van een botbreuk of van iemands longen. Dat kan zijn in de poli, bij de spoedeisende hulp, aan het bed van de patiënt of in de operatiekamer. Naast deze basiswerkzaamheden heb ik mij gespecialiseerd in echografie en computertomografie. Echo maakt gebruik van geluidsgolven om organen in de buik in beeld te brengen. Computertomografie is beter bekend als de CT-scan. Hierbij maken we gebruik van röntgenstraling om een 3D-beeld te krijgen.”

2. Hoe word je Radiodiagnostisch laborant?

“Met de opleiding Medische Beeldvormende en Radiotherapeutische Technieken. Die kun je op drie hogescholen in Nederland volgen. Ikzelf ben er via een omweg gekomen. Eerst heb ik Biometrie gestudeerd en daarna een inservice opleiding aan de Amstel Academie gevolgd.

Het is echt een interessant vak voor mensen die houden van de combinatie van techniek en gezondheidszorg. De apparatuur waarmee je werkt is complex, dus technische kennis is noodzakelijk. Daarnaast moet je zorgzaam zijn, want je hebt veel contact met patiënten.”

3. Waarom is röntgenstraling bijna 125 jaar na de uitvinding nog steeds zo actueel?

“Röntgen speelt een ontzettend belangrijke rol in de diagnostiek. Het maakt dingen in het lichaam zichtbaar die van de buitenkant niet te zien zijn. Vooral in spoedsituaties is dat nodig. In die 125 jaar heeft de techniek zich natuurlijk wel ontwikkeld. Voor elk probleem is er tegenwoordig een specifieke scan. De veiligheid voor patiënt en laborant is verbeterd en de techniek is sneller geworden. Vroeger duurden onderzoeken een stuk langer.”

4. Wat vind je het leukste aan je vak?

“Het contact met mensen! Ik werk met veel verschillende patiënten. Van kinderen tot ouderen. Van mensen die een klein pijntje hebben tot ernstig zieken. Dat maakt mijn baan heel afwisselend. Je hoort veel verhalen. Vaak zijn mensen gespannen voor de uitslag van een onderzoek. Ik vind het leuk om hen gerust te stellen en met een glimlach naar buiten te laten lopen.”

5. Zijn er ook mindere kanten?

“Zeker. Soms zie je iets zorgwekkends op een foto, maar mag je niks laten merken aan de patiënt. Dat is best moeilijk. Als een patiënt overlijdt, dan raakt dat me natuurlijk. Of als er bij iemand van mijn eigen leeftijd een ernstige ziekte wordt geconstateerd. Dan bekijk je het leven toch even met andere ogen. Met collega’s praten helpt. Ook is het belangrijk om altijd een bepaalde afstand te bewaren tussen jezelf en de patiënt.”

6. Hoe zie je de toekomst?

“Ik doe dit werk nu vier jaar. Het is de eerste baan na mijn opleiding. Door interne opleidingen en cursussen kan ik mezelf blijven ontwikkelen. Vroeger dacht ik altijd dat ik bij een groot bedrijf als Siemens of Philips wilde werken, maar het contact met patiënten zou ik dan echt gaan missen. Voorlopig zit ik hier helemaal op mijn plek.”

7. Waarvan ga jij stralen?

“Van de lieve reacties van patiënten, wanneer ze dankbaar zijn dat je ze goed geholpen hebt. Dat zijn de momenten die me het meest bijblijven.”